Oefenen voor een mogelijke aanval Mieke Klomp, geïnterviewd door Engelien E. Feenstra-Klomp
In 1952, tijdens de 'Koude Oorlog', werd de Bescherming Bevolking (BB) opgericht om de bevolking te beschermen tegen de dreiging van een oorlog. De organisatie bestond voor een groot deel uit vrijwilligers. Mieke Klomp (82) uit het Gelderse dorpje Oene was vrijwilligster en vertelt over haar ervaringen.
'Het zal in het begin van de jaren '60 zijn geweest dat ik in de krant las dat je een EHBO-opleiding kon volgen. De training werd gegeven om in tijden van oorlog of bij calamiteiten je dorpsgenoten te helpen. Dat sprak mij wel aan. Tijdens verjaardagen sprak ik er ook met anderen over en we vroegen ons af wie we nog meer zouden vragen. We zijn denk ik ook nog met een groepje mensen naar voorlichtingsavonden geweest. Eigenlijk hadden we allemaal hetzelfde: als er wat zou gebeuren in ons dorp, dan zouden we samen iets voor ons dorp kunnen doen! Zo is onze groep eigenlijk ontstaan!'
'Uiteindelijk waren we met een groep van ongeveer acht personen, drie mannen en vijf vrouwen. We kregen les van een meneer uit Hattem, zijn naam weet ik niet meer. Hij werd betaald. Tijdens de wintermaanden oefenden we één keer per maand in een zaaltje van het dorpscafé van de gezusters Riphagen. Het was allemaal heel dorps eigenlijk, gezellig met elkaar. Iedereen kende iedereen en we deden allemaal ons best op z'n eigen niveau om d'r iets van te maken. We leerden hoe we een knie- of hielverband moesten aanleggen en hoe we iemand de pols moesten voelen. Allemaal kleine dingen, maar toch heel belangrijk. We leerden wat je moest doen als je niet meer kon vragen wat er aan de hand was of waar hij pijn voelde. Een ernstig ziek iemand is niet meer aanspreekbaar en dat is best moeilijk.'
'Verder werd ons uitgelegd wat we moesten doen als d'r echt wat
zou gebeuren. We vormden een fijne en hechte groep samen. Iedereen
hield zich aan de afspraken die we met elkaar hadden gemaakt.
Wanneer we tijdens het oefenen een fout maakten, dat gebeurde
natuurlijk wel, voelden we ons vrij genoeg om elkaar daarop te
wijzen. Dan maakten we d'r grapjes over.'
'Een knieverband aanleggen was het moeilijkst. Dat mocht natuurlijk
niet los gaan. Als je dan klaar was en iemand verbonden had en de
leiding ging d'r aan plukken en het liet los, dan moesten we
vreselijk lachen om degene die het verband had gelegd. Ik zorgde er
wel voor dat mij dat niet zou overkomen! Ik vond het ook nooit zo
fijn als ik een man moest verbinden, dat weet ik nog wel. Er was
altijd een zekere schroom van vrouwen tegenover een man, maar
een slachtoffer kon ook een man zijn, dus doen wat je moet
doen!'
'Eén keer per jaar, in het voorjaar, organiseerden we een grote
oefening. Dat gebeurde bij ons thuis. Dat kon goed omdat mijn man
en ik op een boerderij woonden en dus de ruimte hadden. Naast het
huis was een pad dat vanaf de weg naar achteren liep. Achter het
huis stonden schuren met landbouwwerktuigen en een hooiberg. Dat
waren natuurlijk prima plekken om ongelukken na te spelen. De
Lotusgroep uit Apeldoorn kwam dan. Zij speelden de gewonden. Deze
mensen waren zo geschminkt en ze konden zich zo gedragen dat het
net leek of d'r echt iets gebeurd was en er echt mensen gewond
waren.
Bij zo'n grote oefening nodigden we ook de plaatselijke brandweer
uit. Er moest natuurlijk ook geoefend worden met vuur. De brandweer
zorgde voor wat ontploffingen en dat er een klein brandje gemaakt
werd. Verder schakelden we de dokter in, die moest er natuurlijk
ook van weten. Alles moest op een bepaalde manier gebeuren. Ja het
ging d'r allemaal best officieel aan toe en de grote oefening werd
door iedereen serieus genomen.'
'Tijdens het oefenen moesten de mannen de 'gewonden' uit de schuur of de hooiberg halen. Dan gingen ze met de ladder naar de gewonde toe en brachten die naar de vrouwen. Wij vrouwen waren hoofdzakelijk bezig met het verbanden leggen en patiënten ondersteunen. Wat er met die gewonde aan de hand was wist je niet van tevoren. Iemand kon zijn enkel verstuikt hebben, dan was een drukverband genoeg. Maar je kon ook iemand hebben die bewusteloos was of een slagaderlijke bloeding had. Dat was wel eng.'
'We hadden allemaal een uniform. Ik zie het nog zo voor me, die grote blauwe jas, zo'n slobberding! Het hoorde er een beetje bij en handig om je gewone kleren te kunnen beschermen. Ik heb de jas nog jaren daarna gebruikt met het schilderen van het huis.'
'Iets wat me nog goed bijstaat is een gewonde van de Lotusgroep
die heel hard en naar kon gillen. Ik krijg d'r nog kippenvel van.
Als ik zo'n gewonde van de Lotusgroep zag, was ik wel van slag. Het
zag er allemaal zo echt uit, dat is het toch heel anders dan in het
café.
Bij zo'n grote oefening kwam de hele buurt kijken en mensen zeiden:
"Wat is hier bij Klomp in vredesnaam aan de hand?" Dat vonden we
ook nog best interessant! Zo konden we het nuttige met het
aangename verenigen.'
'Door het samenwerken met acteurs van de Lotusgroep kregen we een goede indruk van onze taak als wij te maken zouden krijgen met echte oorlogsslachtoffers. Dat had best wel impact op ons, het was best heftig. We zagen het nut in van hetgeen we mee bezig waren. Wij waren belangrijk! Niet zomaar een groepje mensen. Nee, wij telden mee! Het gaf ons de stimulans om door te gaan. We konden iets voor ons dorp doen als d'r een calamiteit zou zijn. Dat gaf een goed gevoel.'
'Als groep hebben we ongeveer acht jaar bestaan. Toen onze groep
vrijwilligers vijf jaar bestond hebben we een klein
sterretje gekregen, dat heb ik altijd nog bewaard. Waarom weet ik
eigenlijk niet, ik vond het denk ik jammer om het weg te
doen.
Van de Koude Oorlog heb ik weinig gemerkt. Dat was wel een klein
beetje 'een ver van mijn bed show'. Ook in ons dorp hebben de
mensen er weinig van gemerkt. In die zin is de BB voor zijn
oorspronkelijke doel niet echt nodig geweest. Maar dat is achteraf
praten. Gelukkig is er nooit echt iets gebeurd!'
'Het contact met de andere vrijwilligers is nog lang gebleven,
ook nadat onze groep was opgeheven. Als we elkaar dan tegenkwamen
in de winkel hadden we het d'r nog vaak over.
Dat we veel samen deden kan wel worden gezien als de voornaamste
reden voor de sterke band die we onderling met elkaar hadden en nog
hebben. Achteraf denk ik dat het toch wel heel belangrijk is dat
een dorp voor zichzelf kan opkomen. Ik denk dat we als dorp gelijk
weer iets van de grond zouden kunnen krijgen als d'r iets in het
dorp zou gebeuren... Als het er op aankomt, staan we voor elkaar
klaar!'